Kleding

Wat trekken we aan op het rijtuig?

Kleding 1878-1883Zowel in de rijtuigbouw als bij de kleding zijn er altijd grote invloeden geweest van de heersende mode. De traditie dat men zich aan de kleur van het rijtuig houdt en geen kleding draagt die daarbij vloekt is nog steeds actueel. Het is gebruikelijk dat men bij de keuze van de kleur van de kleding rekening houdt met de kleur van het rijtuig en van de bekleding.

Indien een Dame de aanspanning ment.

De dame wordt graag gezien in een lange rok, met bijpassende schoenen met platte of kleine hak, mantelpak jasje, hoog gesloten bloes, passende hoed, handschoenen en een passend schootskleed.

Indien een Heer de aanspanning ment.

De kleding van de heer is vaak minder kleurrijk dan die van de dames, vaak gaan deze gekleed in een iets grijs/donker pak, zwarte jas met streepjesbroek, passende schoenen, zwarte of een grijze hoge hoed of bolhoed en een passend schootskleed. Ook hier is variatie mogelijk afhankelijk van de weersomstandigheden. De eigenaar is vrij in de keuze of hij een grijze of zwarte hoge hoed draagt.

Koetsier en palfreniers/grooms.

Voor deze groep is het dragen van dienstkleding verplicht, in het kort volgt hierna een opsomming: lange jas, mouwvest, witte boord, witte of gele broek, zwarte hoge hoed, lederen zwarte laarzen met bruine kappen. De kleur van de jas kan variëren.

Onderstaand volgt een overzicht van de geldende mode in de genoemde periodes.


1878 – 1883 de tijd van emancipatie en rijgkorset.

De kleding van de vrouw bestond uit een zeer strakke japon met een gedrapeerde overrok. Soms had de rok een sleepje. Over de japon was vaak een verticale baan met strookjes aangebracht. De strakke mouwen waren vaak voorzien van een ruche bij de pols. Het strakke korset duwde de boezem omhoog.

  • De mantel: een nauwsluitende mantel, iets korter dan de japon. Veel korte getailleerde manteltjes.
  • Het haar: uit het gezicht weggekamd met een gevlochten chignon (haarwrong) achter op het hoofd. Van voren kort in een pony.
  • De hoed: kleine hoed met banden onder de kin; ook grote hoed met veren en bloemen.
  • Accessoires: Boa en mof van vossenbont. Verder de gebruikelijke accessoires van de 19e eeuw.
  • Schoenen: Elegante smalle schoenen en knooplaarsjes met hoge hakken.

Kleding 1878-1883De kleding van de man veranderde in de 19e eeuw in principe heel weinig. Hij droeg ook in deze periode een driedelig kostuum met een kort jasje of jacquet.

Nieuw was het gebruik van het sportkostuum. Uit Engeland afkomstig was het “Norfolk-jacket” een jasje met een taillenaad en een door lussen gehaalde ceintuur, vaak van tweed en gedragen met een kniebroek.

Naast de hoge hoed werd ook de bolhoed en de strohoed gedragen. In deze periode zag je ook voor het eerst een lage, grijze hoed van vilt en een speciale pet voor sportieve doeleinden.

De stoffen: Voor vrouwenkleding soepele stoffen. Zeer modieus is sarrazzijde met fluweel. Voor mannen werd meer tweed gebruikt.

De kleuren: Voorkeur voor contrasten zoals rood met bruin, rood met grijs, zwart met wit. De dessins: effen stoffen.

1883 – 1890 Tweede tournure.

Kleding 1883-1890De kleding van de dames bestond uit een japon met een hoog gesloten lijf en een rechte plus een gedrapeerde rok. Ook wel vormden lijfje en overrok een geheel. Als sportieve dracht werd een blouse met hoge boord gedragen, een das of fichu (halsdoek) en een wijde rok. In deze periode waren de rokken ca 5 cm korter dan voordien.

  • De mantel: wijde mantel of kort manteltje.
  • Het haar: opgestoken haar met een gekrulde pony.
  • De hoed: tamelijk hoog, vaak van fluweel, hoog opgewerkt met kunstbloemen en strikken. Bij sportieve kleding een strohoed, soms met tulen shawl tegen zon en stof.
  • De accessoires: behalve het gebruikelijke accessoire van de 19e eeuw nu vooral sets van ketting, oorhangers en armband.
  • De schoenen: door de iets kortere rokken nu zichtbaar. Elegante smalle schoenen en knooplaarsjes met hakken.

Kleding 1883-1890De kleding van de man veranderde niet wat vorm betreft. Voor overdag zoals steeds in de 19e eeuw, jas, vest en broek.

Sportieve mannen droegen nog steeds het Norfolk jacket (zie vorige periode).
De overjas: naast de wijde jas nu ook de rechte tweed jas met bontkraag.
Het haar: tamelijk kort met bakkebaarden en snor met omgekrulde punten.
De hoed: bolhoed, strohoed, hoge hoed, vilthoed.
Accessoires: de paraplu werd vanaf deze periode vaak gedragen i.p.v. de wandelstok.

De stoffen: tamelijk zware stoffen, wol, zijde, fluweel, tweed. Voor de zomer katoen.

De kleuren: donkere tinten paars, bordeauxrood en flessengroen.

De dessins: combinatie van strepen met effen of ruiten. Bontranden, passement en oplegsel/galonband.

1890-1900 Fin de siècle.

Kleding 1890-1900De kleding van de vrouw was van achteren minder geprononceerd dan in de vorige periode, doordat de tournure werd vervangen door een klein kussentje. Na 1892 werd ook deze opvulling niet meer gedragen. De japon had lange mouwen, waarvan het bovenste deel sterk poffend. De japon had verder een kraag met revers en aan de rok een sleepje. Men droeg graag een bolero (damesjasje) over blouse of jurk. Veel gedragen: het wandelkostuum of tailleur, dat bestond uit een heuplang jasje, een wijde rok en een blouse met hoge boord en lange manchetten.

  • De sportieve kleding: basiskostuum was een overhemdblouse met kleurige das en wijde rok, aangevuld met een jasje en een hoed.
  • Mantel: wijde mantel of kort manteltje.
  • Het haar: losjes opgestoken met gekrulde pony. Veel haarstukjes.
  • De hoed: vooral de matelot van stro of vilt. Hoeden met strikken. Voiles tegen de zon en stof
  • Accessoires: behalve de 19e eeuwse sieraden en accessoires werden in deze periode ook veel ceintuurs, vooral van ribslint, gedragen.
  • Schoenen: elegante modellen met hakjes. Bij sportieve kleding knooplaarsjes met zwarte kousen.

Kleding 1890-1900De kleding van de man bestond uit jas, vest en broek. De jas was aan de onderzijde ofwel recht (costume-veston ofwel weggesneden. (costume-jacquet) Het overhemd had een opstaand boordje, met omgeknikte punten. I.p.v. een geheel hemd werd ook wel een los front met boord en losse manchetten gedragen. Er werden smalle jassen gedragen. Voor de winter een lange dikke jas.
Het haar was kort, geen baard mar wel een snor.
Men droeg voor iedere gelegenheid een andere hoed; een hoge hoed bij een geklede gelegenheid, een bolhoed voor overdag, een pet of strohoed voor de sport en lage schoenen met veters en hoge rijglaarzen in de winter.

De stoffen: Wol, katoen, laken, tweed, flanel
De kleuren: Blauw, groen, purper, grijs
De dessins: Strepen, na 1895 gestileerde bloemen.

1900 – 1909 Jugendstil.

Kleding 1900-1909De kleding van de vrouw was een weerspiegeling van de periode die reformkleding heeft gekend. De reformjapon werd spottend “hobbezakjurk” genoemd, want hij was recht van snit en werd vaak gedragen zonder korset. De enige garnering was opgestikt band in slingermotieven. Een groot contrast hiermee vormen de luxueuze namiddagjaponnen in pasteltinten me teveel kant en de elegante tailleurs in de S – lijn.

Deze lijn werd verkregen door het gezondheidskorset of “droldevant”. Het was even weinig gezond als de vroegere korsetten. Een tussenvorm tussen de S – lijn en de reformjapon was de z.g. “prinsessenjapon”. In deze tijd werden ook veel mantelkostuums gedragen en blouses met kantapplicaties.

De mantel: vooral driekwartmantels met ruime mouwen. Ook wel pelerinemanteltjes genoemd.
Het haar: opgestoken haar, bol rondom het hoofd, chignon op de kruin.
De hoed: platte hoed met veel kunstbloemen. Matelots (matrozenhoed).
Accessoires: paraplu, parasol, reticule (damestasje), handschoenen, kam van schildpad, kragen en shawls van bont, waaiers van veren. In de hals een guimpe (letterlijk vertaald een borstsluier) met hoge boord, Jugendstilsieraden in zilver en email.
Schoenen: elegante instapschoenen met strikjes. Knooplaarsjes onder voetvrije sportrokken.

De kleding van de man had als kleine verandering dat het gewone pak wat meer zakken met zakkleppen vertoonde. Voor het overige, zie de vorige periode. De rechte overjas wordt iets korter gedragen dan vroeger.

Het haar was tamelijk kort en men had opvallende grote snorren. Voor overdag had men de bolhoed en de Homburghoed.
De schoenen, voor ’s zomers tweekleurige molières (bruin met wit of zwart met wit). Mindert knooplaarzen, meer veterschoenen.

De stoffen: Voor de japonnen, crêpe, mousseline (neteldoek). Voor rokken vaak wol of katoen.

De kleuren: Veel pasteltinten.

De dessins: Op effen stoffen garnering van band en lint in Jugendstilmotieven. Borduursels van kant.

1909 – 1914 Poiret.

Kleding 1909-1914De kleding van de vrouw kreeg een volledig ander silhouet; van boven breder, naar onder toe smal uitlopend. Het lichaam werd niet langer in de taille ingesnoerd. Japonnen hadden een hoge taille, een “strompelrok” en dikwijls een “tunica” (lampenkapsilhouet). Er was veel kritiek op de nieuwe lage V-hals, die zowel aan voor als aan achterzijde van japonnen en blouses werd gedragen.

Ter verduidelijking nog even het volgende: Paul Poiret was in die jaren een beroemde Parijse modekoning.

  • Mantel: minder mantels, maar veel mantelkostuums met een tamelijk lang jasje en een zeer nauwe rok, vaak voorzien van splitten. Zeer modieus was het “kimonojasje” dikwijls afgezet met bond of struisvogelveren.
  • Het haar: losjes, opgestoken, soms gekrulde pony.
  • De hoed: aanvankelijk erg groot met veel garnering. Ook werden veel kleine tulbandkapjes gedragen met aigrettes.
  • Accessoires: ceintuurs, hoedenspelden, Jugendstilsieraden.
  • Schoenen: nog veel knooplaarsjes, maar meer en meer laag uitgesneden schoentjes met halfhoge hakjes (pumps).

De kleding van de man onderging slechts summiere veranderingen. Het kostuum bestond nog steeds uit jasje, broek en vest van dezelfde stof, een wit overhemd met losse boord en een strikje of geknoopte das. Het jasje was meestal een vestontype (voorloper van het colbert). Ongeveer in 1911 werd voor het eerst een plooi in de heren pantalon geperst.

  • De overjas: voor op reis een lange rechte jas, voor in de stad een wat kortere getailleerde jas.
  • De hoed: bolhoed, Homburghoed, hoge hoed en strohoed. Petten voor sportieve doeleinden en op reis.
  • Accessoires: Wandelstok met ivoren of zilveren knop, handschoenen.

De stoffen: Chiffon, crêpe, tule, kant, wol en katoen.
De kleuren: Felle tinten blauw, groen, violet en oranje.
De dessins: Motieven met rozen, lotusbloemen, oosterse figuren. Op effen stoffen, geappliqueerde kant of tule.

1914 – 1918 Eerste Wereldoorlog.

Kleding 1914-1918De kleding van de vrouw was in enkele jaren volledig van silhouet veranderd. De japon had brede schouders, brede revers aan een kraag die opvallend hoog in de nek opstond, een wijde rok en een slanke taille.

In het algemeen werden meer namiddagkostuums, mantelkostuums en blouserok combinaties gedragen dan japonnen.

Omdat met name in het buitenland veel vrouwen in de rouw waren lag in de modetijdschriften de nadruk vooral op zwarte kleding.

De mantel: wijd model met hoogopstaande kraag, soms gedragen met een ceintuur.

Het haar: losjes, opgestoken haar.

De hoed: hoge hoed of grote platte hoed met lint.

Accessoires: grote paraplu, handschoenen en mof. Voor het eerst werd door “gewone” vrouwen oog makeup gebruikt. Met een zacht potlood werden lijntjes onder de ogen aangebracht.

Schoenen: onder de kortere rokken veelal knooplaarzen. Ook schoenen met hakken en vetersluiting, vaak in twee kleuren leer.

De kleding van de man kreeg in deze oorlogsperiode nog minder aandacht dan al tiental jaren het geval was geweest. Het jasje van het meestal grijze, zwarte of gestreepte colbertkostuum kon zowel van één als van twee rijen knopen zijn voorzien. Sportieve kostuums waren vaak van tweed en in plaats van een lange broek werd ook wel een plusfours gedragen. De lange pantalon had pijpen met ingeperste plooien en met omslagen.
  • De hoed: deukhoed, bolhoed, strohoed en pet. (Voor het eerst zag men mannen zonder hoofddeksel buitenshuis wandelen)
  • Accessoires: zie de vorige periode.
  • Schoenen: veterschoenen, soms tweekleurig.

De stoffen: Wollen en zijden crêpe, wollen jersey, katoen en kunstzijde. Deze was in 1885 uitgevonden, maar werd nu pas gebruikt voor japonstoffen.
De kleuren: Veelal donkere tinten, blauw, groen en bordeaux rood.
De dessins: Op effen stoffen bandgarnering.

1919 – 1924 De naoorlogse jaren.

Kleding 1919-1924In tien jaar tijd was in het modebeeld niets meer te bespeuren van de wat decadente élégance van het begin de twintigste eeuw. De vereenvoudiging die in de oorlog noodzaak was geweest, groeide nu uit tot een nieuwe stijl waarin de nadruk werd gelegd op de bewegingsvrijheid.

De kleding van de vrouw was recht en sluik, met het accent op de heupen. De roklengte reikte aanvankelijk tot de enkel, na 1921 tot de kuit en werd na 1923 geleidelijk korter. De japon was meestal kraagloos met een V-hals, een ronde of een vierkante hals. Veel gedragen werd de deuxpièces, dat bestond uit een rechte of geplooide rok met een lange blouse over de rok. Verder: veel gebreide jumper.

  • De mantel: recht en lang. Meer mantelpakken, vaak gegarneerd met bont. Het Chanel-pakje (jumper, rok en kraagloos jasje van jersey in de leverkleur) werd snel populair.
  • Het haar: losjes opgestoken of strak weggekamd in een knotje op het hoofd. Er werd veelvuldig gebruik gemaakt van kammen en spelden van schildpad.
  • De hoed: grote platte hoed met garnering van bloemen of veren. Ook nog toques.
  • Accessoires: Kraag en mof van vossenbont, imitatiesieraden, bv. lange glazen of parelkettingen in combinatie met goudkleurige schakelkettingen, lange oorhangers. Veel strasgarneringen.
  • Schoenen: laag uitgesneden pumps met spitse neuzen en banden over de wreef.

Kleding 1919-1924De kleding van de man bestond uit een colbertkostuum met vest. Het vest meestal zonder revers. Broekspijpen met vouw en omslagen, tamelijk kort zodat de schoenen zichtbaar waren. Sportieve dracht was een wijde plusfour met een bijpassend jasje en wollen kniekousen.

    De overjas: rechte overjas, zwart of grijs, gemaakt van wol. Na 1920 kwamen de regenjassen in de mode.

    Het haar: kort en glad met een midden- of zijscheiding. De elegante man droeg een smalle snor zoals Douglas Fairbanks of Rudolf Valentino.

    Accessoires: vlinderdasje met bijpassende pochet, dasspeld, manchetknopen, paraplu.

    Schoenen: zwarte, bruine en tweekleurige molières.

De stoffen: Dunne tweed en jersey voor pakjes, crêpe de chine, zijde en wol voor jurken.

De kleuren: Grijs en beige a la Chanel, resedagroen, rozerood.

De dessins: Veel randen op heuphoogte.

1924 – 1929 Charleston.

Kleding 1929-1929De nieuwe mode werd “a la garconne” of “charlestonmode” genoemd, naar het ideaalbeeld voor de moderne vrouw en naar de populaire dans. Enkele mode details, zoals helmvormige hoeden en armbanden om de bovenarm, waren ontleend aan Egyptische afbeeldingen, die door het ontdekken van het graf van Toetanchamon (1922) in de belangstelling waren gekomen.

De kleding van de vrouw was recht en kort. In 1927 was de rok het kortst, en wel tot op de knie. Behalve de hemdjurken droeg men veel trois-pieces van jersey a la Chanel. Voor de winter vooral tweed mantelpakken, schouderlijn, een diepe shawlkraag en vaak gegarneerd met vos.

  • Het haar: omstreeks 1925 hebben alle jonge en zich jong voelende vrouwen hun haar afgeknipt. Het haar werd met een warme krultang geonduleerd. Voor het eerst werd een door de zon gebruinde huid mode.
  • De hoed: een “cloche”, dit is een z.g. pothoed of helmhoed. Bij zomerjaponnen werden grote doorzichtige hoeden gedragen.
  • Accessoires: zeer belangrijk vanwege de eenvoudige kleding. Lange shawls, broches en poederdozen in email. Lange Chanelkettingen, oorhangers, enveloppentassen, sigarettenpijpjes.
  • De schoenen: iets minder puntige bandschoenen.

De kleding van de man begon voor het eerst sinds honderd jaar wat meer variatie te vertonen. Het colbertjasje was korter en getailleerd. Men droeg veel blazers met grijze broeken. Tussen 1924 en 1929 werden zeer wijde broekspijpen alleen door modieuze mannen gedragen Voor de meeste mannen nog steeds het driedelige grijze pak. Veel gestreepte en kleurige dassen.

  • Het haar: midden- of zijscheiding, smalle snor.
  • De hoed: vilten deukhoed, geruite wollen of linnen pet.
  • Accessoires: leren broekriem met gesp, vlinderdasje en pochet. Schoenen: molières met ronde neuzen vaak tweekleurig.

De stoffen: Kunstzijde, jersey, crêpe, tweed, bont. Voor de man flanel.
De kleuren: Rood, ecru, terra, blauw, groen. Ook zwart-wit combinaties.
De dessins: Strepen, onregelmatige ruiten, zigzagmotieven. Voor zomerjurken noppen en kleine bloemdessins.

Hedendaagse kleding.

Hedendaagse KledingBovenstaande teksten geven een prachtig en beknopt overzicht van de kleding die werd gedragen in de hoogtijdagen van het rijtuig. Nu, in de 21e eeuw, maken we gelukkig nog steeds (recreatief) gebruik van het rijtuig en met name bij de sportrijtuigen zien we dat steeds meer kleding wordt gedragen volgens de hedendaagse mode.

”maar wat nu? ” zal er door rijders en juryleden mogelijk gezegd worden en moeten we nu de vergaarde kennis over historische kleding maar geheel loslaten en een geheel eigen weg inslaan? We denken van niet; kledinggewoonten en smaak blijven een geheel persoonlijke smaak maar tussen gekleed en verkleed gaan zit natuurlijk een significant verschil. De aangespannen sport blijft verbonden met etiquette en elegantie; een correcte houding op het rijtuig van zowel rijder als passagiers bepalen al een deel van de uitstraling en het onverschillig kauwen op kauwgom of het dragen van een zonnebril devalueert direct de algemene indruk.

We leven nu in een tijdperk waarin allerlei interessante dingen gebeuren op zowel geschiedkundig als op filosofisch en maatschappelijk gebied hetgeen ook invloed heeft op onze kleding. Toch een aantal tips:

  • Loshangende kledingstukken zijn onpraktisch en voor dames is het dragen van al te nauwe rokken lastig bij het in- en uitstappen, maar ook te korte rokken boven de knie zijn niet gewenst.
  • Ook dient bij het dragen van schoeisel niet alleen rekening te worden gehouden met de overeenstemmende kleding maar ook de veiligheid speelt een belangrijke rol en m.n. is het dragen van schoeisel met hoge hakken voor de dames minder gewenst. Ook de combinatie sportschoenen met een driedelig pak of mantelpakje is niet gewenst.
  • Het dragen van een passend en gepast hoofddeksel bij het rijtuig behoeft geen betoog.
  • (Men-) handschoenen zijn voor de dame of heerrijder onontbeerlijk.
  • Bij sieraden moeten we in het algemeen de nadruk leggen op het niet al te opvallend en/ of overdadig zijn
  • Aanbevelenswaardig is het ook om met de medepassagiers de kleurkeuze een beetje af te stemmen opdat het de toeschouwer niet “geel en groen” voor ogen wordt.

Hedendaagse Kleding